Tweede reis 1840

Vergadering van Directeuren

gehouden 29 October 1839

Directeuren vergaderd zijnde, werd, op het gerucht, dat het aandeel dezer Stad in de bevrachtingen voor dit jaar, bij de te wachten bevrachtingen van November, nog een kleinoverschot zou opleveren, en er dus nog eenige kans kan zijn om de Orion nog in de bevrachtingen van dit jaar, te zien begrijpen, besloten dat door den President daartoe nog pogingen zoude gedaan worden en zijn door hem nog dien eigen dag daartoe twee brieven eenen in Particulier aan den Heer van der Houven, en eenen aan de Directie der Nederlandsche Handelmaatschappij geschreven, terwijl hij hiervan aan kapitein van der Linden tot zijne informatie mede bericht gegeven heeft.
Den 5e November ontvingen wij echter hierop een ongunstig antwoord van de Maatschappij, en moest het dus bij de vroegere afspraak met den Heer van der Houven blijven.
De President zich dan ook den 26e November wederom naar Amsterdam begeven hebbende, heeft aldaar met den Heer van der Houven nader besproken om den Orion tegen 2 December door de Agenten te Dordrecht aan de Maatschappij ter bevrachting te doen aanbieden om den 10e December in het Nieuwe Diep tot vertrek gereed te liggen, onder deze bepaling, dat hetzelve, des noods, in O.I. op het gewas van 1840 zal moeten wachten, meer, indien er, bij arrivement nog van het gewas van 1839 Producten zullen overig zijn, daarmede beladen zal worden, en de eerst aankomende, van waar ook, de eerste aanspraak op belading met het gewas van 1839 zullen hebben. Op de vraag aan den Heer van der Houven of er ook waarschijnlijkheid was van nog gewas van 1839 te zullen vinden, gaf zijn Ed te kennen, daarop niet te kunnen antwoorden, maar dat hij van zich de kans loopen zou.

Met kapitein van der Linden is daarop door den President afgesproken om den 3e December verder aan te monsteren, en zou hij de 6e of 7e het Oosterdok verlaten en de reis naar het Nieuwe Diep aannemen; zijnde het schip geheel zeilree.
Den 2e December 1839 het schip als boven vermeld, door de Handelmaatschappij bevracht zijnde om op Dordrecht te retourneeren, zijn daarvoor de Charterpartijen opgemaakt en den 5e & 6e December geteekend, en is daarvan een Exemplaar, met den brief aan onze Correspondenten te Batavia, een bijvoegsel op zijne instruktie in een Contract wegens den Jongen Scheltema als passagier, aan kapitein van der Linden gezonden, die wegens het bedenkelijke weder, reeds den 4e met eenige sjouwers, het Oosterdok verlaten en den 5e in het Kanaal aan de lijn gegaan was.

 

TWEEDE REIS VAN DE ORION  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  *  * 

Na des morgens van den 7e te Alkmaar aan de ballastplaats aangekomen te zijn, (het had des nachts ½ duim ijs gemaakt,) en aldaar dien en den volgende dag ballast ingenomen te hebben, is de Orion den 11e in het Nieuwe Diep aangekomen, den 16e was het een Oostenwind, maar te hard om door de Stoomboot uit het Nieuwe Diep op de Reede gehaald te kunnen worden, en eerst den 9 January 1840 is de Orion naar Zee gezeild en wel in Zee gekomen.

 

Vergadering van den Raad

der Reederij

Present de Heeren A. Blussé van Oud-Alblas, Herman van der Sande Hzn, F. van Wageningen, Mr P. Blussé Azn, B. Bruininghuis, De wed. G. ’t Hooft &Zoon

Heden den 21en  Maart 1840, de Raad der Reederij, daartoe behoorlijk opgeroepen vergaderd zijnde, is na voorlezing en goedkeuring der Notulen tot heden, gadaan Rekening en verantwoording over de eerste afgelopen reis van den Orion, sluitende met een kwaad slot van f. 4.495,03 , waarvoor de Reederij op nieuwe rekening gedebiteerd blijft. En is ten blijke van goedkeuring, deze rekening door alle Presenten geteekend, waarna deze vergadering gescheiden is.

Den 17en April 1840 is van kapitein van der Linden het eerste berigt ontvangen, gedagteekend van den 21en February, en meldende, dat hij dien dag, na met veel tegenwind en storm geworsteld te hebben, zonder bijzondere ongelukken, even bezuiden de Linie, tot op 0° 2’ Zuider breedte en 23° 10’ Wester lengte was geavanceerd.

Aankomst te Batavia

Den 3en September 1840 in de Zeepost het berigt vindende dat de Orion den 29 April in Straat Sunda gepraaid was, werd nog dien eigen dag besloten om de retour Assurantie te doen sluiten tot 3½ % voor alle gevaar, en voorts op de gewone conditie, ten bedrage van f. 80.000 op casco en f. 50.000 op Vrachtpenningen.  Eerst den 22en September ontvingen wij brieven van kapitein van der Linden, en van onze Correspondenten, gedagteekend uit Batavia van 2 Mei, en meldende de behouden aankomst van den Orion aldaar in den namiddag van den 1en Mey.

Na meer dan twee maanden ter reede van Batavia gelegen te hebben zonder eenig uitzigt van met laden te kunnen beginnen, en zonder van de Factory vrijheid te kunnen bekomen om naar Sourabaija te verzeilen, werd den Orion eindelijk dit laatste toegestaan, en heeft die bodem den 8en July de reis naar Sourabaija aangenomen, en er den 20en het anker laten vallen. Aldaar ontving de Orion order om den 26en naar Passarouang te verzeilen, ten einde aldaar de nodige Suiker in te nemen en vervolgens op Samarang terug te komenter inneming van Koffy. Ter reede van laatstgenoemde plaats is de Orion den 16en Augustus en vervolgens den 6 September te Batavia aangekomen, hebbende 8501 62/100 Picols Suiker, 7279 Picols Koffy, 2 Kisten Indigo en 593 Schuitjes od 300 Picols tin in, en liggende voor 18, en achter 19½ Vt diep. Te Samarang had de Orion ook drie gepasporteerde Militairen als Passagiers medegekregen.

Den 9 September heeft de Orion van Batavia de terugreis naar het Vaderland aangenomen. Den 11en January 1841 is de kapitein van der Linden, uit hoofden van Zware Stormen in het midden van December en vooral op 3 January van daarbij bekomen veelvuldige Avary op het dek, en van de uitgeputheid zijner Equipage, in Deal binnengeloopen, en vervolgens, op het berigt dat onze Zeegaten met IJs bezet waren den 13 naar Sheerness verzeild, en van daar, op berigten dat het Brouwershavensche gat open was, den 25en wederom vertrokken.

Binnen komen te Brouwershaven

Den 28e January 1841 is eindelijk, na eene reis van bijna 13 maanden, de Orion behouden ter reede van Brouwershaven aangekomen, hebbende op die langen reis zijn tweede Stuurman Zwerfs, uit Barneveld, benevens twee Matrozen en een Jongen verloren.
Van de 8 Ligters, welke ten dienste van den Orion naar Brouwershaven gezonden waren, is den 30 January de eerste, zijnde Schipper Jan Volkers, met 865 Balen koffy aan deze Stad gekomen; waarbij Kapt van der Linden meldde, den tweede Ligter Schipper Blom, op zijde te hebben, zijn verlangen te kennen gaf om zoo spoedig mogelijk eene Sleepboot te mogen ontvangen, en berigt gaf dat door hem uit Sheerness op de Reederij getrokken was voor £ 158. 9. 7
Met den derden Ligter, Schipper Joh. Mahnen schreef Kapt v.d.Linden, toen achter 17½ en voor 15 2/3 Voet diep te liggen; zoodat hij wel dacht den 3en February op den nodige diepgang te zullen zijn, om op te kunnen varen.
De nieuwe ingevallen en felle vorst heeft echter, zoowel het plan eener spoedige opvaart naar deze Stad, als het verder ligten van den Orion gestuit, en is die bodem des morgens van den 4en boven op de Slik in de eerste bogt Zuid-Oostwaards van den Ossenhoek gezet, waar bij hoog water 15 Vt staat. Des daags te voren was de stroom vol ys, en de Orion daarin bezet geweest. De Ligters hebben met den Orion tot den 12en te Brouwershaven binnen gelegen, toen echter, bij ingevallen nieuwen dooi, het ys zich spoedig opruimde. Eerst den 18en kon men echter, na nog vier ligters gelost te hebben, het Schip van de wal los maken, en voor twee Ankers vertuyen. Den 19e is de 8 Ligter, Schipper W. Venus, vol gekomen, en was daarmede de Orion voor en achter op 15 Vt gekomen; maar alzoo groote Schepen, voor en achter diep gaande, lastig werken, zoude ook de 9e Ligter, A. Volkert volgeladen worden. Den 26en February is de Orion, door een Stoomboot gesleept tot ’s Gravendeel, en van daar,

Aankomst aan deze Stad

Den 1en Maart 1841, aan deze Stad gekomen, en aldaar den volgenden dag afgemonsterd. Het Schip is vervolgens snel uitgelost, en heeft 575 2/3 Last uitgeleverd, waarvan de Vrachtrekening bedragen heeft f. 95.929,96½ op welke reeds den 21en Maart berigt ontvangen werd, dat het bedrag derzelve dispositie der Reederij gesteld was bij de Agenten der Maatschappij te Rotterdam; en is daarop den 24en Maart bij de Directie besloten tot het dadelijk doen, eener Provisionele Uitdeeling van f. 1.000 per 1/32sten Aandeel.

Zoodra het Schip gelost was, is almede door de Directie besloten om het Schip naar Duc d’Alve te doen verhalen, alles in het werk te stellen tot eene spoedige voorziening in alle noodige reparatien, en om het te laten kielen; welk laatste in bijzijn der daartoe verzochte Experten, in April is bewerkstelligd zonder eenig defect te vinden. Den 2e April was de Orion voor eene nieuwe uitreis verzekerd f. 60.000,- op Casco en f. 30.000,- op behouden varen, en tegen den 6en aangeboden om in de bevrachtingen der Maatschapij begrepen te worden, (welke aanbieding daarna van maand tot maand herhaald is).
De 22e van die maand is met De wed. G. ’t Hooft &Zonen accoord gemaakt om het benodigde Patent Touwwerk te leveren tot f 52 het lopend en f 54 het staande wand. Nog heeft in die zelfde maand, met overleg van de Handelmaatschappij de opmaking plaats gehad van Avary-gros ter zake van het binnen lopen te Deal en Sheerness tot behoud van Schip & lading, en is die rekening aldus gemaakt.
Waarde Lading                                f 285.000             á f 5,31 p.m.      f  1513,35
       ,,       Schip                    ,,  80.000              á   5,31    ,,                 424,80
      ,,        Vracht                 ,,  70.000              a   5,31    ,,                 371,70
waarvan de beide laatste Posten voor rekening van de reederij en de eerste voor rekening van de Handelmaatschappij komen, gelijk ook daarna de f. 1513,35 van dezelve Handelmaatschappij zijn ontvangen.

Eerst den 26e Juny zijn de Heeren P. Lankelma & Joh. Stulien, ofschoon vroeger verzocht om den 19e zich daartoe hier te laten vinden, herwaards gekomen, en hebben dien dag het Schip geinspecteerd en het vereischte certificaat afgegeven.

Het vruchteloze gewone maandelijksche aangeven van den Orion om in de bevrachtingen der Maatschappij begrepen te worden, heeft den President bewogen om zelf in October zich naar Amsterdam te begeven, ten einde bij de Directie der Handelmaatschappij, (welke blijkbaar het plan had om den Orion eerst na Nieuwe Jaar in hare bevrachtingen op te nmeen,) de belangen en billijke aanspraken van dien bodem op eene vroegere bevrachting te doen gelden, en is het hem dan ook mogen gelukken om ten dezen de gemelde Directie tot andere gedachten te brengen, en is hetzelve Schip diensvolgens in de laatste bevrachtingen van dit Jaar, op 2 November 1841 plaats gehad hebbende, begrepen, met bepaling, dat de Orion den 15 December te Brouwershaven zeilree zal moeten liggen, om van daar de reis naar Batavia aan te nemen, en na ingenomen lading in Oost-Indie, waartoe het desnoods op den oogst van 1842 (dit is later veranderd) zal moeten wachten, op Amsterdam terug te Keeren. Deze uitkomst was van te meer belang, naardien het reeds genoegzaam bekend was, dat na Nieuwe Jaar de vrachten wederom met f 5,- per Last zouden verminderd worden.
De Charterpartijen zijn onder dagteekening van 4/5 November geteekend.

Kort daarna aanzoek ontvangende, door middel van de Heeren Smith &Co te Rotterdam om van de Heeren van Overklift &Co van ’s Hage eene Partij Stoommachines voor Stoom Suikermolens naar Java, en met bepaaldelijk naar Tagal over te brengen, zijn daarover onderhandelingen ontstaan, waarin zich de Directie der Handelmaatschappij gemengd, en bij eenen Brief van 16 November tekenen gegeven heeft, dat het Gouvernement en ook de Maatschappij het grootste belang stelde in de spoedige verzending dier Machinerie, dat het derhalve de Maatschappij hoogst aangenaam zou wezen dat die zaak met de meest mogelijke inschikkelijkheid geregeld werd; terwijl de Directie tevens de verzekering gaf, dat in geval de Machinerien door den Orion naar Tagal zou worden gevoerd, zij de Factory zou aanschrijven om aan dat Schip, indien mogelijk, aldaar de geheele lading te geven, of anders in de naastbijgelegen haven waar zij zoodanige lading zou hebben.

Deze schriftelijke verzekering heeft de reederij alle zwarigheden doen overstappen, om met de Heeren Smith &Co tegen eene vracht van f. 3.000, na uitlevering bij hun betaalbaar, doen contracteeren. Nog zijn onderscheidenen goederen, blijkens Manifest voor eene Vrachtwaarde van f. 763,64 ingeladen, terwijl almede als gouvernements Passagiers van de Eerste klasse is aan boord gekomen de Heer W.A. van den Ham, van wien daarenboven f. 226 is ontvangen voor verbeterde tafel; en ook nog als Passagier zijn medegegeven de Heer J. Hijmans tegen betaling eens af van f. 550, en een Jongeling Frits Stoelman voor wien Kapitein Schuil aangeboden heeft over een Jaar f. 300 te betalen.

Leave a Reply

Your email address will not be published.