1827 – 1835 Scheepsjongen 12Jr

Jacob Bouten monsterde op 14 november 1827 aan bij zijn oom Jacob Strobuur op de HARMONIE, omdat zijn vader het beter vond om direct ‘onder de vreemde’ te gaan om het zeevaren niet van je eigen vader bijgebracht te krijgen. Jacob schrijft hier zelf over;

In Antwerpen werd ik op de Rijksschool geplaatst en mijn vader kreeg daar spoedig een schip dat hij als kapt voerde.
Een neef van mij, de zoon van mijn vaders zuster Jacob Duits woonde bij ons in om de schoollessen bij te wonen en wij waren trouwe speelmakkers. De overige uren brachten wij altijd aan de dokken door om in bootjes te varen of in masten te klimmen en kwamen ook wel eens met een nat pak te huis. Ons beider lust was het varen en spraken hierover ook dikwijls met vader en moeder hierover. Vader had er niets tegen, doch zeide, wanneer je zeevaren wil dan moet je ook meteen onder de vreemde, ik ben niet van plan je bij mij aan boord te nemen. Mijne moeder was er sterk tegen, en wilde liever dat ik eene betrekking aan land zoude kiezen, doch daar dacht ik volstrekt niet aan.
Mijn neef werd door zijn vader, die ook een schip voerde naar huis gevraagd om de zomer reizen mede te maken, en toen deze weg was drong ik er steeds bij de oudelui op aan van ook te gaan varen. Hiervoor kwam gelegenheid bij Kapt Stroboer die een schip voerde van de Heeren Klerk & Voogd te Dordrecht. Kapt Stroboer was een neef van mijn vader en daar hij geen kinder had wilde hij mij wel aan boord nemen. Ik was al in de wolken en hunkerde naar het ogenblik dat een brief zoude komen om naar Dordt te komen.

Monsterrol voor het Schip Harmonie, waarop kommandeert Kapitein J. Strobuur en thans liggende te Dordrecht, gedestineererd Op avontuur. DORDRECHT den 14 November 1827, Waterschout Buys ’t Hooft

De 3e-reis van de HARMONIE (eerste voor scheepsjongen Bouten) ging naar Cette (Sête -Middellandse Zee, Frankrijk) om wijn te halen voor naar Amsterdam.

Ons vertrek volgde spoedig na mijne komst aan boord en de reis was naar Cette in de Middellandse Zee eene lading wijn voor Amsterdam te halen. De reis beviel mij zeer goed en vond in Kapt Stroboer een rechte vaderlijke vriend, die in alles voor mij zorgde. Wij kwamen omstreeks Apr ’28 in Amsterdam aan waar de Kapt zijne vrouw aan boord kwam, en de zomer reizen altijd mede maakte. Ik schreef een zeer lange brief aan de oudelui, en onder andere dat mij het zeevaren zoo beviel, dat ik er niet aan dacht er van af te gaan.

Stuurman B.J. Bakker uit Veendam (f32,-), Kok uit Hogezand (f24,-) en 4 Matrozen uit Sapmeer, Dordt resp 2x Veendam (f20,-). Jongen J.L. Buiten, Veendam (zonder gage). [MRD-255/1827

waarna de reis vanuit Amsterdam verder gaat naar Frederikshafen (Denemarken) om hout naar Middelburg te te laden, hetgeen ze daar op 15 juni 1828 afleveren. Op 29 juni 1828 vertrekt de HARMONIE (met nog steeds dezelfde bemanning) vanuit Middelburg met ballast naar Narva (Rusland) om balken te laden opnieuw naar Middelburg.
Na terugkomst van Narva schrijft Jacob Bouten ‘Terwijl wij te Middelburg lagen kreeg de Kapt. een schrijven van zijn patroon, dat hij over zoude komen bij het bouwen van een nieuw schip en de Harmonie overgeven aan Kapt Boer.’

Het kofschip HARMONIE, 96 last, werd in 1827 gebouwd op de scheepswerf Jan Schouten te Dordrecht. De tewaterlating was op 27-10-1826.

Op 9 september zeilt de HARMONIE Middelburg uit naar Dordrecht, waar Jacob Strobuur het toezicht krijgt op de bouw van een nieuw schip voor rederij de Klerk en de Voogd en het gezag op de HARMONIE wordt overgedragen aan kapitein G.E. Boer. De HARMONIE krijgt bestemming Bergen in Noorwegen en Jacob Bouten blijft aan boord. Nu als scheepsjongen en met een gage van f 4,- per maand.
De nieuwe Kapt was een klein zeer bewegelijk mannetje met een ruw rood gezicht waaruit men zoude opmaken, dat hij aandeelhouder van de Schiedamsche Maatschappij was. Hij was echter heel flink in al zijn doen en laten, en niets onkundig. Hij en ik was spoedig zijn lieveling.
(Genus E. Boer was vanaf 1827 kapitein op het kofschip RESOLUTION, waarop hij na Kapt Parrel het gezag voerde.)

Wij kregen onze bestemming naar Bergen in Noorwegen, daar eene lading Stokvisch in te nemen en daarmee te zeilen naar Triëst, waar wij na eene lange reis met veel slecht weer en storm gehad te hebben, in het laatst van Januari aankwamen.
In Triëst had ik veel genot, was de Kapt zijn trouwe page, ging de meeste tijd met hem naar de wal naar concert en opera, waar ik het stuk zag opvoeren van Marcus Anthonius & Cleopatra. Het was voor het eerst dat ik in een opera kwam en meende in een toverpaleis te zijn.
Alles even prachtig en schitterend en zoo ruim dat er bijna nergens gedrang was, hoewel er zeker meer dan duizend menschen waren. Voor het gebouw was een overdekte plaats waar de rijtuigen opreden, prachtige Equipages met prachtig gekleede dames. Het toneel was zoo groot en diep dat een rijtuig met vier paarden op rondreed en een ogenblik 25 ridders te paard voorop stonden, waarachter men de zee zag waaruit de verte een schip zag aankomen, waarop Cleopatra bevond. Dit alles maakte een indruk op mij dat mij nu nog duidelijk voor de geest staat.
Ook woonde ik hier het Carnaval bij, dat prachtig met overal feesten uitgevoerd werd. Het werd geopend met een onafzichtbare open rijtuigen, waarin vier gemaskerden zaten met een groote mand met suikergoed tusschen hun in, waarmede zij de omstanders gooiden en soms pijnlijk in het gezicht kregen.

Na hun lading stokvis gelost te hebben zeilden ze naar Messina om op Sicilië vracht te zoeken. Daar werd Jacob ziek en bleef hij achter bij de bevrachter de heer Läger & Lenegraff, terwijl de HARMONIE in Terra Nova een lading zwavel innam en in Catania een partij kisten drap en sinasappelschillen. Aangezien de HARMONIE in Catania volgeladen zou worden, maakte Jacob de tocht van 100 km naar Catania in een karavaan muilezels met Sicilianen over land.
Uiteindelijk moesten ze van Catania toch nog naar Messina om het schip volledig geladen te krijgen, waarna ze van Messina naar Antwerpen vertrokken.
Een ieder aan boord was verheugd het eiland te verlaten, daar men daar bijna op geen plaats van zijn leven een ogenblik zeker is. Van het volk hoorde ik, dat bij het laden op Terra Nova hun gedreigd werd het schip af te lopen, en kort tevoren ook een Hollandsch schip ’s-nachts overvallen werd en de wachtsman vermoord. Nu wij waren er gelukkig afgekomen en hoopten nu spoedig weder onder zachtaardige bevolking te komen.
Wij moesten echter nog eerst een staaltje van de Zuidelijke geaardheid ondervinden eer wij onder de Nooren kwamen.
Op de hoogte van Malaga waren wij dicht bij de kust en konden de stad met de kijker onderscheiden. De wind was stil en het schip ging weinig vooruit. Daat zagen wij een Spaansch kustschip naar ons toe komen, roeiende met lange riemen. Dat maakte ons niet ongerust daar wij dachten het een loodsvaartuig te zijn, die ons naar Malaga zou willen loodsen. Toen het vaartuig echter dichtbij was schoot het ineens langszijde van het schip en maakte zich aan ons vast. Terwijl sprongen er 12 á 15 man over, gewapend met lange messen in hun gordels, en vroegen waar het schip vandaan kwam, waarheen het ging en waaruit de lading bestaat. Zij zagen de scheepspapieren in en daar er geen lading van groote waarde in het schip was, zeiden zij dat zij behoefte aan proviand hadden.

Onder het voorwendsel van kustrecherche te zijn en nog een maand buitengaats te moeten blijven, namen de 22 gewapende mannen een deel van het vlees, spek, brood en boter mee alsook een vaatje genever. De komst van een Engels oorlogschip maakte hier spoedig een eind aan, waarna zij hun reis naar Antwerpen konden vervolgen. De provisie aan boord was hierna echter schaars, waarover Jacob Bouten verhaalt:
. . . en kreeg ik voor mijn aandeel voor ochtend en avondeten een beschuit en twee glazen water. Dat was zeer weinig en heb ik meermalen met warme dagen een touw in het zeewater gehangen en daarop gezogen, meest voor verkoeling daar het voor de dorst niet hielp. Gelukkig kregen wij van tijd tot tijd ook regen en werd alles gedaan om water op te vangen. Ook vingen wij veel vischen en toen wij voor het Engels kanaal kwamen kregen wij van een tegenkomend schip wat brood en water. Boter had geen onzer in de laatste maand geproefd en werd door enige van de Equipage door zoute olie vervangen, hetgeen in Italie en Spanje veel gebruikt wordt. Ik kon mij echter daarmede niet verenigen en gebruikte mijn brood dus liever droog.
Eindelijk na een reis van 104 dagen kwamen wij te Antwerpen aan en kreeg ik de vrijheid om dadelijk naar huis te vliegen. Ik was nu bijna twee jaar van huis geweest en in die tijd weinig brieven gewisseld daar de post zoo duur was. Lang daarna sprak mijne moeder noch dikwijls over die dag dat ik de kamer kwam invliegen met de uitroep daar ben ik.

Wat een eerste ervaringen heeft de jonge Jacob opgedaan in de bijna twee jaar nadat hij als twaalfjarige jongen van huis vertrok om te gaan varen. En wat een spannende indrukken en angstige belevingen op de eerste reizen met kapitein Strobuur naar Sête (Frankrijk, aan de Middellandse Zee), Frederikshafen (Denemarken) en Narva-Rusland, waarna met kapitein Boer eerst naar Bergen, waarna Triëst en Sicilië en terug naar Antwerpen.

Kustvaart door Jacob Bouten

Ik kreeg natuurlijk de tijd dat wij te Antwerpen lagen alle avonden vrijheid naar huis te gaan, waar ik mij dan zeer gelukkig voelde. Allen zaten dan om mij heen, terwijl ik dan van mijne reizen moest vertellen. Tusschen beiden kwamen er ook wel eens tranen voor den dag wanneer het gesprek op de oudste zuster viel, die den gepasseerden winter in het ijs verdronken was. Zij had mij dikwijls brieven geschreven en altijd aangespoord spoedig thuis te komen.

Zijn verblijf in Antwerpen was niet lang, aangezien ze al spoedig de opdracht kregen om in Danzig een lading hout te halen voor Harlingen.
Te Danzig zoude ik bijna verdronken zijn. Wij lagen daar aan de overzijde van de rivier voor de stad en hadden geen andere communicatie met de stad dan door het over en weer varen met de boot, en toen ik op zekeren avond dat het zeer donker en regenachtig was, de Kapt van de overzijde moest halen en van het schip in de boot dacht te springen, er naast sprong en zoo in het water te land kwam.
Niemand was op het dek om mij te helpen, doch de Kapt had de plomp gehoord en schreeuwde toen uit al zijn macht naar het schip, dat gelukkig gehoord werd. Spoedig werd er met haken naar mij gevischt en eindelijk werd ik bijna levenloos opgehaald. Na lang wrijven en rollen loosde ik een gedeelte water en kwam later bij, dat later geen kwade gevolgen heeft gehad.
Na de lading ingenomen te hebben vertrokken wij met de bestemming naar Harlingen. De kapitein die zeer voortvarend in al zijn handelingen was en zelden voor de harde wind of andere beletselen bleef liggen, maakte bij zulke gelegemheden ook druk gebruik van Schiedam. Hij was dan steeds op het dek en daar ik altijd bij hem moest zijn, was hetr algedurig ‘Jaap een halfje’, zoodat een flesch al spoedig leeg was.
Te Helseneur, waar die tijd nog tol betaald moest worden, kwamen wij inder de namiddag aan. Het woei zeer hard en alle scheepen die ook onze weg uit moesten, waren ten anker gegaan om beter weer af te wachten. Dat beviel onze Kapt niets, nam een vreemde boot aan naar wal te gaan en beval de Stuurman met het schip onder zeil te blijven en zoo zijn terugkomst af te wachten. Daar wij in de maand Novemb. Waren, vroeg donker en hard waaoide, meende de Stuurman goed te doen om ten anker te gaan liggen, daar men anders licht averij aan andere schepen zou kunnen maken. Wij hadden nog niet zoo lang gelegen toen de Kapt aan boord kwam, raasde en vloekte tegen den Stuurman en gelaste dadelijk het anker weer op te winden en onder zeil te gaan. Dit werd met zeer veel moeite gedaan en eer wij door ten anker liggende schepen door waren, liepen wij tegen een schip aan die wij grote schade aanbrachten. Wij zeilden echter door het Kattegat in en de Kapt bleef de gehele nacht op het dek, gesterkt door de hulp van de glaasjes jenever die ik hem van tijd tot tijd moest aanreiken. Zoo vervolgden wij snel onze reis en spoedig te Harlingen aankwamen.
Wij waren reeds gelost vóór een der met ons van Danzig vertrokken schepen aankwam en daar het reeds laat in het jaar was, verkoos de Kapt niet meer voor de winter naar zee te gaan.

Aangezien de kapitein er, na in Harlingen gelost te zijn, voor koos om niet meer voor de winter terug naar Dordrecht te gaan, werd de bemanning van het schip ontslagen.
In Harlingen pakte ik mijn boeltje bij elkaar en nam plaats op de buurtman naar Amsterdam om verder naar Antwerpen te reizen. Te Amsterdam trof ik een oude kennis die mij aanrade dienst te nemen op de Cornelis dasse Viëtor die bestemd was voor Cadix. Ik ontving daar f12 in de maand hetgeen een groote huur was, daar ik vroeger slechts f8 verdiende.

Op 12 Mrt 1831 monstert Jacob Bouten aan op de CORNELIS DASSE VIËTOR naar Cadiz-Spanje, kapt Hendrik Bosker, die met 8 man uit Dordrecht vertrekt. Ligtmatroos is J.L. Buiten uit Dordrecht, voor een gage van f12,-/mnd, één van de drie matrozen is E.H. Mugge van het Kralingsche Veel (f20,-/mnd). [MRD-484/1831]
Van deze reis kwamen wij Sept 1830 in Holland Amsterdam terug en daar ik hoorde dat de revolutie in België was uitgebroken verlangde ik naar huis, pakte mijn boeltje weer bij elkaar en vertrok met de pakschuit naar Rotterdam en van daar over Dordrecht naar Antwerpen.
Daar ik echter te Dordt. mijn oude Kapt eerst noch opzocht, hoorde ik van hem dat mijne moeder met de kinder van Antwerpen gevlucht waren en te Dordrecht woonde. Hoe gelukkig dat ik niet dadelijk naar Antwerpen doorgereisd was, hoe zoude ik hun dan gevonden hebben? Ik vond hun echter allen heel wel, doch mijn vader (Luitje Jacobs Bouten) was op reis naar Braziliën, van waar hij later op Rotterdam terug kwam. Zoo vond mijne moeder het goed met de woning naar Rotterdam te gaan, dat wij nog voor de winter deden.

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * *

Onderstaand is het hele verhaal te lezen van deze eerste zeevaartjaren van Jacob Bouten.

One Response to 1827 – 1835 Scheepsjongen 12Jr

  1. Peter Noordermeer (Dreischor, Zld) says:

    Beste Kees Bouten, ik ben bezig met een verhaal over een Zierikzeese jongen (Jozias Dingeman Gerritse, 1836-1912) die op 1 juli 1 852 na de Kweekschool voor de Zeevaart zijn eerste reis gaat maken, en wel onder kapitein J. Bouten. Ze reizen via Batavia naar Valparaiso en vervolgens naar San Francisco. Gerritse weet te melden dat het onder de consciëntieuze Bouten altijd hard werken was, ook ‘bij flauwe winden en windstilten’.

    Op Open Monumentendag op 13 september word ik geacht verkleed als Jozias Gerritse in het Stadhuismuseum van Zierikzee ‘mijn’ levensverhaal te vertellen als zeeman. Mij bron is een artikel over Gerritse uit ‘Kroniek van het land van de Zeemeermin’ (Schouwen-Duiveland). Ik ben nu op een vakantieadres in de Eifel. Ik kan je het artikel toesturen als je daar belangstelling voor hebt. Bouten kom in het artikel prominent voor.

    Hartelijke groet,

    Peter Noordermeer

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *